Jaarstatistieken over studentarbeid
2025
Periodiciteit: Jaarlijks
Laatste updates: 18/06/2026
Studenten kunnen tijdens hun studie werken en daarbij zijn verschillende arbeidsverhouding met de werkgever mogelijk. Het type arbeidsverhouding heeft gevolgen voor de mate waarin de arbeidsprestaties onderworpen zijn aan de sociale zekerheid. Zo kunnen studenten stage lopen, een opleiding volgen volgens het principe van alternerend leren of een studentenjob uitoefenen met een studentencontract.
In de statistieken die we hier voorstellen, beperken we ons tot de tewerkstelling van studenten met een studentencontact. Voor meer informatie over stages en alternerend leren verwijzen we naar de instructies voor de werkgever.
Het specifieke type van studentenarbeid dat we hier bespreken was, sinds 2017, beperkt tot 475 uren per jaar, maar voor 2023 en 2024 werd dit uitgebreid tot 600 uren per jaar en vanaf 2025 is het zelfs toegelaten om 650 uren per jaar te werken met een studentencontract. Dat type van studentenarbeid is bovendien vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen. Er dient enkel een solidariteitsbijdrage betaald te worden die deels ten laste is van de werkgever en deels van de student. De werkgever is daarenboven ook nog een bijdrage voor het Asbestfonds verschuldigd. De geldende percentages zijn terug te vinden in de instructies voor de werkgever en op de webpagina student@work.
Naast de opmaak van de kwartaalgegevens, maken we ook een jaaranalyse van studentenarbeid. Dit laat ons toe om te rapporteren hoeveel studenten er doorheen het jaar werkten; hoeveel uren die studenten werkten per jaar; welk aandeel het volledige toegestane contingent benutte; in welke activiteitstakken studenten aan de slag waren; wat de student verdiende en bij hoeveel verschillende werkgevers de student aan de slag was tijdens een kalenderjaar.
Een vernieuwde methodologie die werd ontwikkeld om statistieken rond bijzondere types van tewerkstelling (Flexijobs, extra’s in Horeca en in land- en tuinbouw, tewerkstelling met dienstencheques, studentenarbeid…) te kunnen publiceren, zijn de aanleiding geweest om dit gedeelte van het statistisch aanbod te herwerken. De bestanden zoals die gepubliceerd werden tot 2023, volgens de klassieke methodologie, zijn nog steeds beschikbaar op de archiefpagina.
Studenten werken het hele jaar door: 'klassieke' jobstudent sterft langzaam uit
In 2025 was er opnieuw een lichte groei van het aantal jobstudenten (+1,3%), jobs (+2,3%) en gewerkte uren (2,1%). In totaal waren 649.055 studenten aan de slag in 2025. 33% van die studenten werkte in elk van de vier kwartalen. De zomermaanden blijven wel nog het meest populaire werkseizoen: de helft van de jobstudenten is (ook) tijdens die maanden aan de slag.
Download hier de ruwe data die als basis dienen voor onze statistieken.
Evolutie studentenarbeid vanaf 2017
Een eerste grafiek geeft de evolutie weer van het aantal studentenjobs, het aantal tewerkgestelde studenten en het arbeidsvolume in bezoldigde uren (x 100).
De grafiek toont dat de studentenarbeid jaar na jaar toeneemt in aantallen studenten en studentenjobs, en nog meer in aantal uren. De trend van sterkere groei van het aantal uren is reeds meerdere jaren aanwezig, en wordt nog versterkt door de uitbreiding van het maximum toegelaten uren (contingent) van 475 uren tot 600 uren in 2023 en 2024. In 2025 werd het contingent verder opgetrokken tot 650 uren waardoor de toename van het aantal bezoldigde uren zich doorzet.
Ook de Covid-periode is duidelijk zichtbaar op de grafiek alsook de sterke groei die er op volgt.
Analyse van de studentenjobs voor het jaar 2025
Kerncijfers
De bovenstaande grafiek toont dat het aantal tewerkgestelde studenten, het aantal studentenjobs en het arbeidsvolume nog licht toenamen in 2025 in vergelijking met het voorgaande jaar. Zo nam het aantal tewerkgestelde studenten met 1,3% toe en het aantal studentenjobs met 2,3%. Het arbeidsvolume in bezoldigde uren stijgt met 3,5%. Ook de loonmassa laat een stijging optekenen (+7,8%). Terwijl het aantal werkgevers die een beroep doen op jobstudenten in 2024 nog daalde in vergelijking met de situatie in 2023, stijgt hun aantal in 2025 met 1,4% ten opzichte van 2024.
De totalen op jaarbasis laten toe om gegevens af te leiden over de gemiddelde jobstudent en studentenjob. Bovenstaande grafiek toont dat een jobstudent in 2025 gemiddeld 225 uren aan de slag is als jobstudent, een stijging met 2,1% ten opzichte van 2024. De jobstudent heeft in dat jaar net als het jaar ervoor gemiddeld 1,6 verschillende studentenjobs. Per studentenjob is een jobstudent gemiddeld 137,3 uren aan het werk in 2025. Dat is een stijging van 1,1% ten opzichte van het jaar voordien. Gemiddeld verdient een jobstudent 3.481,2 euro per jaar in 2025 tegenover 3.271,2 euro in 2024. Per uur gaat het om gemiddeld 15,5 euro in 2025. In 2024 was het gemiddeld uurloon met 14,9 euro per uur nog net iets lager.
Aangezien het gemiddelde sterk beïnvloed wordt door hoge waarden, kijken we voor een aantal indicatoren ook naar de mediaan en maken we verder op deze pagina (profiel van de jobstudent) een indeling naar uurklassen. Van alle jobstudenten samen werkt 50% in 2025 tot 174 uren en 50% werkt meer dan 174 uren. Dat was ook in 2024 het geval. Het mediaanloon bedraagt in 2025 2.564,1 euro en het mediaanuurloon is in 2025 14,9 euro. De cijfers tonen ook aan dat de verloning in 2025 licht steeg ten opzichte van 2024.
Het profiel van de jobstudent
Wie zit er nu achter die cijfers? Hoeveel uren werken jobstudenten op jaarbasis en bij hoeveel verschillende werkgevers? Dat proberen we hier te achterhalen door het profiel van de jobstudent te schetsen. De focus ligt hier op het aantal tewerkgestelde jobstudenten.
Aantal jobstudenten naar leeftijd en geslacht
De grafiek geeft het aantal tewerkgestelde jobstudenten weer naar leeftijd en geslacht en toont aan dat de 18 tot 20 jarigen de grootste groep uitmaken, maar ook dat de 15 tot 17 jarigen en de 21 tot 23 jarigen goed vertegenwoordigd zijn in de populatie jobstudenten. Dat was ook in de voorgaande jaren het geval.
Ten opzichte van 2024 neemt het aantal van de grootste groep (18-20 jarigen) nog toe en dat zowel voor wat betreft de vrouwelijke als de mannelijke jobstudenten. Dat geldt ook voor de 21 tot 23 jarigen. In de leeftijdsklasse van 15 tot 17 jaar neemt daarentegen het aantal jobstudenten licht af in 2025 ten opzichte van een jaar eerder. Dit is vooral het gevolg van de daling bij de vrouwelijke jobstudenten. Opmerkelijk is dat over de laatste 2 jaar het aantal mannelijke jobstudenten in die leeftijdsgroep nauwelijks veranderde, terwijl er over diezelfde periode bij de vrouwelijke jobstudenten een daling was van 2,2%.
De grafiek toont ook dat meer vrouwen dan mannen voor een studentenjob kiezen in de leeftijdscategorieën boven de 17 jaar waar enkel de jobstudenten van 30 tot 39 jaar een uitzondering vormen omdat er binnen die groep meer mannen dan vrouwen voor een studentenjob kiezen. Die verhouding blijft stabiel in 2025 ten opzichte 2024. Ook bij de 15 tot 17 jarigen kiezen ook nu weer iets meer mannen dan vrouwen voor een studentenjob.
Hoeveel uren werken jobstudenten op jaarbasis?
Bovenstaande grafiek geeft de evolutie weer van het aantal gewerkte uren op jaarbasis - in uurklassen - van 2017 tot 2025. Vooral de uurklasse van 475 tot 600 uren kent een sterke toename vanaf 2020. Dat is niet verwonderlijk gezien de bovengrens in het kader van de Covid-pandemie werd losgelaten in 2020 en 2021 zij het voor bepaalde sectoren. In 2023 en 2024 werd de bovengrens uiteindelijk opgetrokken van 475 naar 600 uren. Vanaf 2025 ging het contingent verder de hoogte in tot 650 uren. Hierdoor zien we dat een 25.000 studenten die het contingent quasi maximaal invullen doorschuiven van de uurklasse 475-600 in 2024 naar de uurklasse 601 tot 650 uren in 2025. Ook in de jaren voordien merken we echter al een stijgende trend binnen de hoogste van toepassing zijnde uurklasse. Zo is de stijging van het aantal jobstudenten die tussen de 451 en 475 uren werken op jaarbasis duidelijk zichtbaar tussen 2017 en 2019. Vervolgens verschuift de stijgende trend naar de hogere uurklasse om de hierboven aangehaalde redenen.
De grafiek hierboven geeft de verdeling van het aantal jobstudenten weer naar uurklassen en leeftijdsklassen en dit zowel voor 2024 als 2025. Het valt op dat de jongste jobstudenten (15 tot 17-jarigen) de grootste groep uitmaken in de uurklasse van 0 tot 50 gewerkte uren op jaarbasis. Naarmate het aantal gewerkte uren omhoog gaat, neemt hun aandeel af in vergelijking tot de iets oudere jobstudenten. Het zijn vooral de groepen van 18 tot 20-jarigen, 21 tot 23-jarigen en 24 tot 26-jarigen die de grenzen van het contingent opzoeken.
Onderstaande grafiek voegt de verdeling naar geslacht toe en maakt zo een vergelijking mogelijk tussen vrouwelijke en mannelijke jobstudenten.
Werken jobstudenten het hele jaar door of eerder in specifieke periodes?
Bovenstaande grafiek geeft het aantal studenten weer dat in een bepaald kwartaal of in een combinatie van kwartalen gewerkt heeft en dit afzonderlijk voor mannen en vrouwen. Het valt op dat de grootste groep studenten het hele jaar door een studentenjob uitoefent en dat zowel in 2025 als een jaar eerder. In 2025 gaat het om 33% van de jobstudenten tegenover 31% van de studenten die in 2024 aan de slag waren. We kunnen ook vaststellen dat dat voor meer vrouwelijke dan mannelijke studenten het geval is. Wanneer we kijken naar de studenten die slechts in één van de vier kwartalen werken, dan blijkt het derde kwartaal de populairste periode om een studentenjob uit te oefenen. Dat hoeft echter niet te verwonderen gezien de zomervakantie in het derde kwartaal valt. Desondanks neemt het belang van dat derde kwartaal relatief gezien af aangezien meer en meer jobstudenten het hele jaar door aan de slag zijn. In 2025 werkten nog slechts 13% van de jobstudenten alleen in het derde kwartaal tegenover 15% in 2024. Daarentegen gaat in 2025 wel degelijk de helft van de jobstudenten nog steeds aan de slag in het derde kwartaal, maar dus niet alleen in dat kwartaal.
Voor hoeveel verschillende werkgevers werken jobstudenten tijdens het jaar?
Bovenstaande grafiek geeft een verdeling weer van het aantal jobstudenten naar leeftijdsklasse en het aantal verschillende werkgevers waarvoor ze tijdens het jaar werken en dit zowel voor 2025 als 2024. De grafiek maakt duidelijk dat het gros van de jobstudenten zowel in 2025 als in 2024 slechts bij één werkgever aan de slag was en dat over alle leeftijdscategorieën heen. Maar dat neemt niet weg dat er ook nog wel een aanzienlijk aantal jobstudenten voor twee en zelfs drie werkgevers werkte. Het gaat dan voornamelijk om jobstudenten in de leeftijdsklassen 18 tot 20 jaar en 21 tot 23 jaar.
Onderstaande grafiek verdeelt die informatie nog verder naar geslacht.
Aantal tewerkgestelde studenten naar woonplaats van de student
Bovenstaande grafiek toont het aandeel jobstudenten (naar woonplaats) in verhouding tot het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers over de vier kwartalen van het besproken jaar, per arrondissement. Uit de grafiek blijkt dat er wel wat variatie bestaat tussen de verschillende arrondissementen. Een hoger/lager percentage kan zowel een indicatie zijn dat er meer/minder jongeren actief zijn als jobstudent (de teller), als het gevolg zijn van het gegeven dat een arrondissement relatief gezien minder/meer loontrekkende werknemers telt (noemer).
Het hoogste percentage jobstudenten op het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers vinden we in 2025 in het arrondissement Aarlen en bedraagt 27,5%. Het arrondissement Thuin laat het laagste percentage optekenen (11,4%). Het aandeel jobstudenten in de andere arrondissementen ligt tussen deze twee waarden in.
In 2024 liggen de cijfers in dezelfde lijn. Ook hier spant het arrondissement Aarlen de kroon met 27,8% en is het arrondissement Thuin de hekkensluiter met 11,5 %. We benadrukken dat het hier gaat over de verdeling naar woonplaats van de jobstudenten. De grafiek zegt dus niets over de plaats waar de studentenjob wordt uitgeoefend.
De grafiek toont de evolutie van het aantal jobstudenten in 2025 ten opzichte van 2024.
De groentinten geven op het kaartje een procentuele stijging weer ten opzichte van een jaar eerder. Hoe donkerder groen, hoe hoger de procentuele stijging. De status quo wordt op het kaartje afgebeeld in gebroken wit (0% stijging). De roodtinten geven een arrondissementele daling aan van het aantal tewerkgestelde jobstudenten. Hoe roder, hoe groter de afname.
De grafiek toont dat het aantal jobstudenten (naar woonplaats) niet in alle arrondissementen toenam. Heel wat arrondissementen kenden zelfs een daling en dat zowel in het Vlaamse als het Waalse gewest. Het arrondissement Thuin kent de sterkste daling (-1,6%). De sterkste toename zien we in de arrondissementen Bergen (+2,8%), Diksmuide (+2,7%), Gent (+2,6%), Charleroi (+2,3%), en Antwerpen en Dinant (+2,2%).
Werkgevers en studentenarbeid
Welke werkgevers doen beroep op studentenarbeid?
In wat volgt, maken we een onderscheid tussen activiteitstakken die in 2025 meer dan 25.000 studenten tewerkstelden - de 'Big Five' - en de activiteitstakken die (nog) niet aan die aantallen komen. Die opsplitsing is niet alleen informatief. Ze verhoogt ook de leesbaarheid van onze grafieken.
Omwille van de belangrijke rol die de uitzendondernemingen spelen binnen de studententewerkstelling, wordt de interimsector apart vermeld. Die studententewerkstelling wordt wel uitgeoefend in de andere activiteitstakken, maar de data met betrekking tot de gebruikers van studentenarbeid via uitzendondernemingen laten niet toe om een éénduidige verdeling te maken naar kenmerken van de gebruikende onderneming.
Om van start te gaan, plaatst de eerste grafiek de 'Big Five' in perspectief. Zo vat de grafiek de onderlinge verhoudingen van de 'Big Five' samen naar het aandeel tewerkgestelde studenten, studentenjobs, arbeidsvolume in bezoldigde uren en loonmassa. Die verhoudingen worden ook in perspectief geplaatst ten opzichte van de restcategorie waarop hieronder dieper wordt ingegaan in de specifieke grafiek voor die categorie. De grafiek maakt het overgewicht van de interimsector onmiddellijk duidelijk. Meer dan 1 op 3 studentenjobs wordt aangegeven door een uitzendonderneming.
Onderstaande grafieken vergelijken het aantal tewerkgestelde studenten, aantal studentenjobs, het arbeidsvolume in bezoldigde uren en de loonmassa in 1.000 euro per activiteitstak voor het jaar 2025 met de situatie in 2024.
Bij de 'Big Five', weergegeven in bovenstaande grafiek, zien we bij de uitzendarbeid, de horeca en de gezondheidszorg het aantal tewerkgestelde studenten, het aantal studentenjobs, het aantal bezoldigde uren en de loonmassa in 2025 toenemen ten opzichte van het jaar ervoor. Ook in de handel is er een stijging van het aantal jobstudenten, het arbeidsvolume en de loonmassa, al daalt het aantal studentenjobs er licht. Bij het openbaar bestuur nemen zowel het aantal tewerkgestelde studenten als het aantal studentenjobs en het arbeidsvolume af in 2025 ten opzichte van 2024, terwijl ook hier de loonmassa stijgt.
De grafiek die de activiteitstakken weergeeft die niet tot de 'Big Five' behoren, bevat daarentegen zowel stijgers als dalers. In 2025 dalen de vier indicatoren voor de studentenarbeid binnen de telecommunicatie, IT en informatiediensten, en binnen de winning van delfstoffen ten opzichte van het voorgaande jaar. De studentenarbeid in de industrie, vervoer en opslag, internationale organisaties en de huishoudens als werkgever daalt voor wat betreft het aantal tewerkgestelde studenten en het aantal studentenjobs, maar het aantal bezoldigde uren en de loonmassa stijgt er ten opzichte van 2024. De activiteieten van uitgeverijen kennen een daling van het arbeidsvolume, maar het aantal jobstudenten, het aantal studentenjobs en de loonmassa stijgt er in 2025 ten opzichte van 2024.
De andere activiteitstakken laten een stijging optekenen.
Vindt studentenarbeid voornamelijk plaats bij grote of kleine ondernemingen?
De grafiek geeft zowel het aandeel tewerkgestelde studenten, het aandeel studentenjobs, hun arbeidsvolume in bezoldigde uren als de loonmassa weer naar de dimensieklasse van de werkgever gebaseerd op het aantal gewone werknemers. Een vijfde staafdiagram geeft het aandeel werkgevers weer per dimensieklasse.
In 2025 is 39,6% van de jobstudenten tewerkgesteld bij ondernemingen die 1.000 of meer werknemers in dienst hebben. Dat is goed voor 40,9% van alle studentenjobs. Bovendien wordt daar ook 38,8% van het arbeidsvolume (in bezoldigde uren) gepresteerd en dat is goed voor 39,7% van de loonmassa van de studentenarbeid. Het gaat om slechts 0,4% van alle ondernemingen die studenten tewerkstellen. Binnen de groep van grootste ondernemingen zijn het vooral de uitzendondernemingen die een groot aandeel hebben in de studentenarbeid (69,4% van de jobstudenten in de ondernemingen met meer dan 1.000 werknemers).
Aan de andere kant merken we ook dat 8,3% van de werkgevers enkel jobstudenten tewerkstellen (die met andere woorden niemand in dienst hebben binnen de klassieke tewerkstellingsvormen). 1,6% van de tewerkgestelde studenten - goed voor 1,8% van de studentenjobs en 1,6% van het arbeidsvolume in bezoldigde uren en de loonmassa - is bij hen aan de slag in 2025.
In 2024 zien we gelijkaardige verhoudingen terug.
Intensiteit van het gebruik van studentenarbeid
In bovenstaande grafiek kijken we niet naar de dimensieklasse die werkgevers indeelt op basis van vast personeel, maar wel in klassen op basis van het aantal jobstudenten die ze tewerkstellen. We gebruiken met andere woorden specifieke dimensieklassen voor jobstudenten die aangeven in welke mate deze werkgevers gebruik maken van studentenarbeid.
De grafiek toont aan dat slechts 0,1% van die werkgevers 1.000 of meer jobstudenten in dienst hebben in 2025. 39,6% van de tewerkgestelde studenten werkt bij één van die ondernemingen en ze vertegenwoordigen 42,7% van het totaal aantal studentenjobs, 38,5% van het arbeidsvolume in bezoldigde uren en 38,7% van de loonmassa. Die verhoudingen zijn vergelijkbaar met de situatie in 2024.
Het is ook hier belangrijk om op te merken dat 59,7% van die ondernemingen met meer dan 1.000 jobstudenten, uitzendondernemingen zijn. Zij zijn bovendien goed voor 79,3% van de jobstudenten die in de ondernemingen met de specifieke dimensieklasse 9 tewerkgesteld zijn in 2025. In 2024 gaat het om 59,5% van die ondernemingen die goed zijn voor 78,8% van de jobstudenten tewerkgesteld in ondernemingen met specifieke dimensieklasse 9.
Het grootste deel van de werkgevers stelt in 2025 minder dan 5 jobstudenten tewerk en dat was ook het geval in 2024.
Evolutie van de populatie jobstudenten per activiteitstak
Evolutie jobstudenten naar activiteitstak en geslacht
Bovenstaande tabel toont de verdeling van het aantal jobstudenten per geslacht over de verschillende activiteitstakken voor 2025, vergeleken met een jaar eerder.
Uitgezonderd het openbaar bestuur, de industrie, vervoer en opslag, de telecommunicatie, IT en informatiediensten, de activiteiten van uitgeverijen, de internationale organisaties, de winning van delfstoffen en de sector van het huishoudpersoneel laten de verschillende activiteitstakken een stijging optekenen voor wat betreft het aantal tewerkgestelde studenten tijdens 2025 in vergelijking met een jaar voordien.
Wanneer we focussen op de opdeling naar geslacht zijn er echter wel wat verschillen merkbaar. Binnen de handel, het afvalbeheer en de wetenschappelijke activiteiten zien we een lichte daling van het aantal vrouwelijke jobstudenten ondanks een stijging van het totaal aantal jobstudenten. In de industrie, de internationale organisaties en binnen de activiteiten van uitgeverijen stijgt het aantal mannelijke jobstudenen ondanks een daling van het totaal aantal jobstudenten binnen de sector.
Evolutie jobstudenten naar activiteitstak en leeftijdsklasse
Wanneer studenten tijdens hun studie werken, zijn diverse arbeidsverhoudingen met de werkgever mogelijk:
- soms zijn hun arbeidsprestaties onderworpen aan het volledig stelsel van de sociale zekerheid,
- in andere gevallen is er een beperkte onderwerping aan de sociale zekerheid,
- voor bepaalde groepen is de onderwerping aan de sociale zekerheid dan weer niet vereist.
Studenten kunnen stage lopen, een opleiding volgen volgens het principe van alternerend leren of een studentenjob uitoefenen met een studentenovereenkomst. Voor stages en alternerend leren verwijzen we naar de instructies voor de werkgever. In wat volgt beperken we ons tot het voorwerp van de statistieken op deze pagina: studentenarbeid met een studentenovereenkomst.
Bovendien focussen we hier op de jaarstatistieken. Gezien het contingent (600 uren voor 2023 en 2024; 650 uren vanaf 2025) het aantal gewerkte uren op jaarbasis in rekening neemt, laten de jaarstatistieken ons toe om een duidelijk beeld te schetsen van de mate waarin studenten actief zijn via het bijzondere systeem van de studentenarbeid.
De RSZ beschikt enkel over informatie met betrekking tot de studentenjob. Informatie over de aard van de studies (studiedomein, studieniveau,…) is niet beschikbaar. Ook hebben we geen informatie over studenten die geen studentenjob hebben uitgeoefend, en kunnen we geen uitspraken doen over het percentage van studenten dat een studentenjob heeft uitgeoefend.
Naast de jaarstatistieken publiceren we ook kwartaalstatistieken over de studententwerkstelling die qua methodologie sterk overeenkomen met de jaarstatistieken met die nuance dat ze geen informatie bevatten over de mate waarin het contingent wordt benaderd door de jobstudenten. Het contingent is namelijk een jaargegeven. Je vindt de kwartaalstatistieken hier.
De arbeidsovereenkomst voor studenten
De arbeidsovereenkomst voor studenten is een verplicht sociaal document. De wet inzake arbeidsovereenkomsten bepaalt de aard van de arbeidsbetrekking met de werkgever en voorziet een aantal bijzondere bepalingen, onder meer voor nachtarbeid en verboden activiteiten. Arbeidsovereenkomsten kunnen gelden voor arbeiders, bedienden, dienstbodes of handelsvertegenwoordigers. Er bestaan ook arbeidsovereenkomsten voor studenten. Die bevatten naast de algemene regels die ook op gewone contracten van toepassing zijn, specifieke regels voor dit soort contracten.
Elke tewerkstelling van een student is in principe onderworpen aan de sociale zekerheid, waarbij zowel werkgever als werknemer bijdragen betalen. Er zijn wel enkele uitzonderingen. Sommige gelden voor alle werknemers en andere enkel voor studenten. Deze uitzonderingen slaan op:
- werknemers (dus ook studenten) die occasionele arbeid verrichten en dus arbeid verrichten in de huishouding van de werkgever of zijn gezin, voor zover de totale wekelijkse arbeidsduur niet meer dan acht uur bedraagt, en dit bij één of meer werkgevers;
- werknemers (dus ook studenten) die, onder bepaalde voorwaarden, tewerkgesteld zijn als animatoren van socio-culturele en sportieve activiteiten gedurende maximaal 25 dagen per jaar;
- werknemers (dus ook studenten) die tewerkgesteld zijn als occasionele handarbeiders in de sectoren van de landbouw en de tuinbouw (plukken van tabak en hop, kuisen en sorteren van teenwilgen) gedurende bepaalde periodes van het jaar;
- studenten die een stage doorlopen die voorzien is in hun studiepakket;
- studenten die maximaal 475 uren tijdens het jaar tewerkgesteld zijn. Dit contingent werd voor 2023 en 2024 uitgebreid tot 600 uren en vanaf 2025 zal het 650 uren bedragen.
Hoewel studenten die tijdens of buiten het school- of academiejaar werken, behalve de voorziene uitzonderingen, bij de RSZ aangegeven moeten worden, bestaat er specifiek voor deze werkende studenten geen statistische informatie. Wat de aangifte bij de RSZ betreft, worden deze ‘studenten-werknemers’ niet onderscheiden van de andere werknemers van de onderneming. Wanneer er bovendien geen onderwerping is, is er geen kwartaalaangifte bij de sociale zekerheid.
De huidige wettelijke bepalingen maken het wel mogelijk om specifieke statistieken te maken voor studenten die aan alle voorwaarden van een tewerkstelling met een schriftelijke overeenkomst voor studenten voldoen.
Tewerkstelling van studenten met een studentenovereenkomst
Vrijstelling van onderwerping aan de sociale zekerheid
Tot en met 2011 werd een kalenderjaar opgedeeld in twee periodes waarin telkens 23 kalenderdagen gewerkt mocht worden in het systeem: het derde kwartaal enerzijds en de andere kwartalen samen anderzijds.
Vanaf 2012 is dit vervangen door een systeem waarin studenten kunnen werken in het kader van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor studenten die buiten de toepassing van de sociale zekerheid valt. Ze werken gespreid over het kalenderjaar (het ‘contingent’ genoemd) tijdens periodes van niet-verplichte aanwezigheid in de onderwijsinstellingen. Periodes van verplichte aanwezigheid in de onderwijsinstellingen zijn die periodes waarbinnen een bepaalde student lessen of activiteiten moet volgen bij zijn of haar onderwijsinstelling. De student mag dus niet werken op momenten dat hij of zij cursussen of andere activiteiten moet volgen.
Wanneer een werkgever een studentenovereenkomst kan afsluiten met een student, dan moet hij dit ook doen. Het is dus geen vrije keuze, ook al kiezen student en werkgever ervoor om de tewerkstelling aan te geven en het systeem met de solidariteitsbijdragen voor studenten niet toe te passen.
De vrijstelling van onderwerping aan de sociale zekerheid gaat gepaard met de inning van een solidariteitsbijdrage. Raadpleeg de geldende percentages voor zowel de solidariteitsbijdrage als de bijdrage voor het Asbestfonds op de pagina Administratieve instructies - Bijzondere bijdrage van de website van de Sociale zekerheid.
Overigens wordt aanvaard dat een student die in juni zijn studies beëindigt en zijn diploma behaalt, nog tot 30 september van dat jaar kan werken met toepassing van de solidariteitsbijdrage. Dit geldt wel alleen bij een tewerkstelling die sociaal gezien de kenmerken van studentenwerk heeft. Er wordt dus bijvoorbeeld niet aanvaard dat de solidariteitsbijdrage wordt toegepast wanneer het in feite gaat om een verdoken proefperiode van een gewone arbeidsovereenkomst.
Het contingent
Algemeen
Tot 2016 bestond het contingent uit 50 dagen gespreid over het kalenderjaar. In 2017 werd dit vervangen door maximaal 475 uren per jaar. Voor 2023 en 2024 werd dit uitgebreid tot 600 uren per jaar en vanaf 2025 bedraagt het 650 uren per jaar.
De telling van het contingent gebeurt per kalenderjaar, zelfs als het tewerkstellingscontract dit overstijgt. Dit houdt in dat de teller bij het begin van ieder kalenderjaar op 0 wordt gezet. Enkel de uren die effectief gepresteerd worden, moeten worden meegeteld. De uren die niet gepresteerd worden, maar wel worden betaald, moeten dus niet aangegeven worden. De Dimona-aangifte is de authentieke bron voor de controle hierop. De betrokken partijen kunnen dit opvolgen via de website student@work.
De solidariteitsbijdrage is enkel van toepassing op het contigent dat in Dimona wordt aangegeven. Als het contingent wordt overschreden, kan de solidariteitsbijdrage niet meer worden toegepast vanaf het eerst uur van overschrijding. Vanaf dan is de student onderworpen aan de normale socialezekerheidsbijdragen. Er wijzigt niets aan het contract, de student wordt verder tewerkgesteld met een studentenovereenkomst.
Om het mogelijk te maken jobstudenten in te zetten als bijkomende arbeidskrachten in het kader van relancemaatregelen om de economie te ondersteunen door het aanbieden van flexibiliteit en extra middelen, werd er vanaf het tweede kwartaal 2020 (COVID) geen rekening gehouden met dit jaarcontingent en werden alle gepresteerde uren, ook die boven het contingent enkel onderworpen aan de solidariteitsbijdrage. Vanaf het vierde kwartaal 2021 gold dit enkel voor studentenarbeid in de zorg en het onderwijs, en vanaf 2023 werd dit nogmaals beperkt tot de zorgsector.
Combinatie met andere tewerkstellingen
Een student mag een tewerkstelling als student, zoals hier bedoeld, combineren met een tewerkstelling als gelegenheidswerknemer in de horeca: hij kan 475 uren (600 uren in 2023 en 2025, en 650 uren vanaf 2025) werken met toepassing van de solidariteitsbijdrage voor studenten én 50 dagen als gelegenheidswerknemer horeca.
Een student kan bovenop zijn 475 uren studentenarbeid (600 uren in 2023 en 2025, en 650 uren vanaf 2025) nog maximaal 65 dagen werken als gelegenheidsarbeider in de land- en tuinbouw en eventueel ook nog 35 dagen als gelegenheidsarbeider in de witloof- of champignonteelt. De uren onder solidariteitsbijdrage hebben geen invloed op het contingent gelegenheidsarbeid, maar de voordelen verbonden aan de twee statuten mogen niet gecombineerd worden.
In de socioculturele sector en bij sportmanifestaties mag het studentencontingent van 475 uren (600 uren in 2023 en 2025, en 650 uren vanaf 2025) gecumuleerd worden met een tewerkstelling van 25 dagen die niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid.
Bijzondere solidariteitsbijdrage
De solidariteitsbijdrage bedraagt een bepaald percentage van het loon en is gedeeltelijk ten laste van de werkgever en gedeeltelijk ten laste van de student.
Naast een solidariteitsbijdrage is er ook een bijdrage voor het Asbestfonds verschuldigd.
Raadpleeg de geldende percentages voor zowel de solidariteitsbijdrage als de bijdrage voor het Asbestfonds op de pagina Administratieve instructies - Bijzondere bijdrage van de website van de Sociale zekerheid.
Deze solidariteitsbijdrage geeft aan de student echter geen enkel recht inzake sociale zekerheid.
Deze solidariteitsbijdrage wordt op een specifieke manier aangegeven bij de RSZ. Hierdoor wordt het mogelijk om statistieken op te stellen voor deze groep van studenten.
De cijfers over de tewerkstelling van studenten betreffen dus enkel de studenten tewerkgesteld bij werkgevers die onder de RSZ ressorteren, en die enkel onderworpen zijn aan de solidariteitsbijdrage.
Statistiekeenheden specifiek voor de studentenarbeid
De arbeidsplaats -'de studentenjob'-
Het aantal arbeidsplaatsen wordt bepaald door het tellen van het aantal tewerkgestelde studenten per werkgever gedurende een kwartaal of een jaar. Dit wijkt af van de meeste andere statistieken met een klassieke telling op het einde van het kwartaal. Ook de statistieken over de flexi-jobs en de uitzendarbeid volgen deze afwijkende telmethode.
Een student die gedurende een kwartaal, respectievelijk jaar, verschillende studentencontracten had bij eenzelfde werkgever wordt als één studentenjob geteld. Studenten die gedurende het kwartaal of het jaar bij meerdere werkgevers gewerkt hebben, worden meerdere keren geteld.
Studenten die bij eenzelfde werkgever zowel een contract als arbeider en als bediende hebben, worden als 1 arbeidsplaats geteld. De kenmerken van de belangrijkste prestatie worden weerhouden.
De student-werknemer - 'de jobstudent'
De telling van het aantal tewerkgestelde studenten gedurende het kwartaal of jaar berust op het elimineren van dubbeltellingen als gevolg van prestaties bij meerdere werkgevers. Dit is mogelijk dankzij het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ-nummer). Meestal is dit het rijksregisternummer. Wanneer dit ontbreekt, gebeurt de identificatie via hulpbestanden die beheerd worden door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
Elke jobstudent wordt dus maar één keer geteld, ongeacht het aantal uitgeoefende studentenjobs. Het verschil tussen het aantal arbeidsplaatsen en het aantal tewerkgestelde studenten is hier volledig aan te wijten.
Het aantal tewerkgestelde studenten op jaarbasis geeft een zicht op het aantal personen die gedurende de onderzochte periode minstens één studentenjob hadden en dat ongeacht de duurtijd van het studentencontract.
De bezoldigingen
De lonen zijn deze die aan socialezekerheidsbijdragen onderhevig zouden geweest zijn indien de student niet zou voldoen aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voor de betrokken periode. Het zijn brutolonen, onverminderd voor eventuele fiscale lasten.
De bezoldigde uren
De notie bezoldigde uren bevat naast de effectief gepresteerde uren ook nog de volgende elementen:
- de niet gepresteerde uren waarvoor een verloning betaald is onderhevig aan de berekening van de bijdragen. Dit omvat onder meer uren die zouden gepresteerd worden op de wettelijke feestdagen en bijhorende compensatiedagen, kort verzuimdagen, wettelijke en bijkomende vakantiedagen voor bedienden;
- de uren die zouden gepresteerd worden op dagen van inhaalrust, anders dan de inhaalrust voor het bouwbedrijf.
Het gemiddeld aantal jobs per student
Het gemiddeld aantal jobs per student is gelijk aan het totaal aantal studentenjobs gedeeld door het aantal studenten.
Het gemiddeld aantal uren per student
Het gemiddelde aantal uren is het quotiënt van de som van het aantal aangegeven uren en het totale aantal studenten.
Het gemiddeld uurloon per student
Het gemiddeld uurloon is het quotiënt van de aangegeven lonen en het aantal aangegeven uren.
De leeftijd van de student
Alle jobs, bezoldigde uren en lonen worden toegekend aan de leeftijd die de student had op het moment van zijn laatste tewerkstelling in het jaar.
Gegevens over activiteitstak werkgever
Hier wordt informatie gegeven volgens de activiteitstak van de werkgever van de student. De activiteitscodes zijn beperkt tot het sectie-niveau (NACE-Bel 2008), maar de sectie ‘N zakelijke dienstverlening’ werd opgedeeld om de studenten die worden tewerkgesteld als uitzendkracht apart te kunnen opnemen omdat uit die cijfers blijkt dat ze een relatief groot belang hebben.
Pro memorie, studenten die via een interimkantoor naar een onderneming worden uitgezonden, worden door het interimkantoor aangegeven. Bijgevolg worden de uitzendondernemingen als werkgever beschouwd en niet de onderneming waar ze effectief gewerkt hebben. De cijfers betreffen enkel deze studentenjobs, een studentenjob bij het interimkantoor zelf (bv. als omkaderingspersoneel) wordt onder ‘zakelijke dienstverlening (sectie N)’ opgenomen.
Classificatiecriteria
Een student kan als arbeider of als bediende werken.
Het aantal werkgevers en arbeidsplaatsen, de lonen en het aantal bezoldigde uren worden onderverdeeld in privé-sector enerzijds en overheidssector anderzijds. De opsplitsing tussen privé- en overheidssector is soms zeer delicaat. Bovendien wordt een verhoging of een verlaging vastgesteld in één sector en is die niet noodzakelijk te wijten aan een vermindering of een vermeerdering van het personeel binnen de sector, maar kan zij ook het gevolg zijn van een overgang van de privé- naar de overheidssector en omgekeerd. Die opsplitsing is dan ook enkel terug te vinden in het bestand met de ruwe data dat u kan downloaden.
Verder wordt een onderscheid gemaakt tussen werkgevers die uitsluitend studenten in dienst hebben en werkgevers die, naast studenten, ook andere werknemers tewerkstellen.
Voor het overige worden diverse classificatiecriteria gecombineerd zoals het geslacht en de hoedanigheid van de werknemer, de aard van de economische activiteit, de locatie, de dimensie van de werkgevers en het belang van studentenarbeid.
In verband met het belang van de studentenarbeid worden enerzijds de aantallen, de bezoldigde uren (en in de ruwe data ook de lonen) weergegeven in functie van het globale aantal studenten waarop de werkgever al dan niet tegelijkertijd een beroep doet tijdens het kwartaal. De hiervoor gebruikte specifieke dimensieklassen worden aangeduid door een letter (van A tot I). Zie ook hieronder.
Anderzijds worden het aantal arbeidsplaatsen, hun lonen en bezoldigde uren weergegeven in functie van het aantal aan de sociale zekerheid onderworpen werknemers die op het einde van het kwartaal tewerkgesteld waren. De hiervoor gebruikte dimensieklassen worden aangeduid door een cijfer (van 1 tot 9). We voegen er in onze studentenstatistieken nog een dimensieklasse aan toe voor werkgevers die niemand in dienst hebben volgens de klassieke tewerkstellingsnormen - dimensieklasse 0 - en verwijzen er in onze grafieken gemakkelijkheidshalve naar met het label 'enkel tewerkgestelde studenten'.
Naast de traditionele dimensieklassen die we hierboven bespreken, voegen we in onze statistieken ook specifieke dimensieklassen in voor studentenarbeid. Die specifieke dimensieklassen die weergegeven worden van A tot I (van 1 tot 9) omvatten de werkgevers met respectievelijk minder dan 5 studenten (werknemers), 5 tot 9 studenten (werknemers), 10 tot 19 studenten (werknemers), 20 tot 49 studenten (werknemers), 50 tot 99 studenten (werknemers), 100 tot 199 studenten (werknemers), 200 tot 499 studenten (werknemers), 500 tot 999 studenten (werknemers) en 1.000 of meer studenten (werknemers) in dienst.
De geografische spreiding, waarbij het bestuurlijk arrondissement als criterium geldt, wordt ook weergegeven, maar dan wel volgens woonplaats van de student (telling van personen).