Arbeidsmarktanalyse : snelle ramingen van de tewerkstelling

Tweede kwartaal 2026

Periodiciteit: Kwartaal

Laatste updates: 01/10/2026

De Arbeidsmarktanalyse geeft een beeld van de evolutie van de bezoldigde tewerkstelling in België.

In de snelle ramingen wordt reeds een inschatting gemaakt van het recentste kwartaal aan de hand van van 3 facetten, het aantal personen die op het einde van het kwartaal zijn tewerkgesteld, het aantal arbeidsplaatsen op het einde van het kwartaal en het arbeidsvolume gedurende het kwartaal uitgedrukt in voltijdsequivalenten. De meer gedetailleerde analyse per kwartaal kan u terugvinden op de pagina Arbeidsmarktanalyse: gedetailleerde kwartaalgegevens.

In de snelle ramingen wordt reeds een inschatting gemaakt van het recentste kwartaal aan de hand van van 3 facetten, het aantal personen die op het einde van het kwartaal zijn tewerkgesteld, het aantal arbeidsplaatsen op het einde van het kwartaal en het arbeidsvolume gedurende het kwartaal uitgedrukt in voltijdsequivalenten.

Download hier de ruwe data die als basis dienen voor deze statistieken.

Arbeidsmarktanalyse voor het tweede kwartaal 2026

De vertraagde uitstroom door pensioen houdt de daling van tewerkstelling beperkt.

In het tweede kwartaal 2026 is de tewerkstelling, zowel het aantal tewerkgestelde werknemers, het aantal arbeidsplaatsen als het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten zeer licht gedaald. De nulgroei die al enkele kwartalen aanhoudt, zet zich dus door.

Op sectorniveau blijft de tewerkstelling in de industrie onder druk staan. De groei in de dienstensectoren compenseren dit verlies gedeeltelijk, maar niet volledig. Tewerkstelling voor arbeiders neemt af, terwijl die voor bedienden stijgt.

Opvallend is dat de tewerkstelling in zowat alle leeftijdsklassen achteruit gaat, maar dat ze in de groep van 65-plussers sterk is toegenomen en daarmee de daling in andere leeftijdsklassen quasi volledig compenseert. De toename hier is voornamelijk het effect van de hogere wettelijke pensioenleeftijd die vanaf begin 2025 geldt. De stijging doet zich dan ook vooral bij voltijdse en deeltijdse tewerkstelling en in beperktere mate bij flexi-arbeid.

Gekeken naar woonplaats zien we in Vlaanderen weinig evolutie, in Wallonië en Brussel een lichte daling van de tewerkstelling, en dan vooral in het arbeidsvolume.

 

Sectoranalyse

Vanaf 2025 wordt de NACE-BEL 2025 nomenclatuur geïmplementeerd. In de NACE-BEL 2025 worden de dienstenchequebedrijven toegespitst op huishoudelijke hulp ondergebracht in “Persoonlijke dienstverlening”. Daardoor verschuiven zij van de rubriek “Commerciële Dienstverlening” naar “Niet-commerciële dienstverlening”, die daarmee de grootste sector wordt. Meer informatie over de NACE-BEL 2025 nomenclatuur, vindt u hier.

 


Landbouw, bosbouw en visserij

In de Landbouw, bosbouw en visserij bestaat de loontrekkende tewerkstelling in belangrijke mate uit seizoensarbeid in de vorm van gelegenheidsarbeid. Door de timing van de seizoensgerelateerde arbeid die soms in het ene, soms in het andere kwartaal valt, varieert de tewerkstelling van jaar tot jaar van nature relatief sterk. Het aantal arbeidsplaatsen op 30 juni 2026 was 4,8% hoger dan een jaar eerder. Het arbeidsvolume was 2% groter dan in het tweede kwartaal 2025.

Industrie en bouw

De tewerkstellingscijfers voor de Industrie, energie en bouwsector zijn al enkele jaren in dalende lijn. In het tweede kwartaal 2026 daalde het aantal arbeidsplaatsen opnieuw, nu met 1,2% ten opzichte van dezelfde periode in 2025. Voor het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten (vte) gaat het om -1% ten opzichte van 2025/2.

Binnen de industrie daalde in de meeste deelsectoren het arbeidsvolume en het aantal arbeidsplaatsen ten opzichte van het tweede kwartaal 2025.

De daling was met name sterk in de Textiel-, kleding- en leernijverheid (-7% in arbeidsplaatsen en -5,3% in arbeidsvolume), de Vervaardiging van andere niet-metaalhoudende minerale producten, (-5,6% in arbeidsplaatsen en -4,7% in arbeidsvolume), de Vervaardiging van elektrische apparatuur (-5% in arbeidsplaatsen en -5,3% in arbeidsvolume), en de Papierindustrie (-7,5% in arbeidsplaatsen en -8,1% in arbeidsvolume).

Ook in onder andere de Vervaardiging van motorvoertuigen en aanhangers (-3,2% in arbeidsplaatsen, -4% in arbeidsvolume), de Houtindustrie (-3,6% in arbeidsplaatsen, -2,1% in arbeidsvolume) en de Chemische sector (-2,7% in arbeidsplaatsen en -2,6% in arbeidsvolume) gaat werkgelegenheid verloren.

Enkele deelsectoren waar wel een groei wordt vastgesteld zijn de Vervaardiging van andere vervoersmiddelen (+6,3% in arbeidsplaatsen en +7,3% in arbeidsvolume) en de Reparatie en onderhoud van machines en apparaten (+1,4% in arbeidsplaatsen en ook +1,9% arbeidsvolume).

In de Bouwsector wordt een licht positieve trend vastgesteld. Het aantal arbeidsplaatsen stijgt met +0,4% licht ten opzichte van dezelfde periode in 2025 en het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten stijgt in dezelfde mate.

Dienstverlenende sectoren

In de Commerciële dienstverlening in zijn geheel, steeg het aantal arbeidsplaatsen (0,2% ten opzichte van 2025/2), maar daalde het arbeidsvolume licht (-0,2%). De deelsectoren laten een afwisselend beeld zien, met lichte tot matige stijgingen en dalingen.

De tewerkstelling in de Groot- en detailhandel kende in het tweede kwartaal van 2026 een lichte daling ten opzichte van een jaar eerder (-0,1% in arbeidsplaatsen; -0,3% in arbeidsvolume). In de Horeca, een sector met een relatief groot aandeel flexibele arbeid en waar seizoensfluctuaties een invloed kunnen hebben, wordt in 2026/2 een stijging van de tewerkstelling vastgesteld in vergelijking met een jaar eerder (+0,3% in arbeidsplaatsen; +0,6% in arbeidsvolume). Ze komt hiermee op het hoogste niveau in jaren. De negatieve trend in de Informatie en communicatietechnologie zet door. In het tweede kwartaal van 2026 verdwijnen -1,2% van de arbeidsplaatsen in vergelijking met een jaar eerder en wordt 1,3% minder arbeidsvolume gepresteerd.

In de Administratieve en ondersteunende diensten telden we in 2026/2 een vrijwel gelijk aantal arbeidsplaatsen als een jaar eerder (-0,1%), maar daalde het arbeidsvolume stevig (-1,9%). Dit fenomeen past in een tendens die hier al langer bestaat. In de Financiële en verzekeringssector daarentegen is al enige tijd sprake van een positieve tendens: hier neemt het aantal arbeidsplaatsen toe met 0,3% ten opzichte van het tweede kwartaal 2025 en het arbeidsvolume met 0,7%. In de Transportsector nemen we geen lichte verandering waar in het aantal arbeidsplaatsen en stijgt het arbeidsvolume licht met 0,2%. In de Wetenschappelijke en specialistische dienstverlening ten slotte nemen we opnieuw een groei waar ten opzichte van dezelfde periode in 2025: het aantal arbeidsplaatsen stijgt met 1% en het arbeidsvolume groeit eveneens (+0,9% ).

 

In de Niet-commerciële dienstverlening in zijn geheel, steeg de tewerkstelling (+0,2% in arbeidsplaatsen, +0,3% in arbeidsvolume) t.o.v. het tweede kwartaal van 2025.

Ook hier is het beeld in de deelsectoren wisselend. Zo daalt de tewerkstelling in het Openbaar bestuur (-0,7% in arbeidsplaatsen en -0,4 in arbeidsvolume) ten opzichte van een jaar eerder. In de Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening neemt het aantal arbeidsplaatsen met 0,5% toe en het arbeidsvolume met 0,9%. Voor het Onderwijs stellen we een lichte stijging vast in zowel het aantal arbeidsplaatsen (+0,3%) als het gepresteerde volume (+0,2%). In de Overige diensten, waaronder de dienstenchequebedrijven vallen, tellen we 1,3% minder arbeidsplaatsen dan een jaar eerder en daalt het arbeidsvolume met 1,5%.

Uitzendarbeid

Vanaf het eerste kwartaal 2023 wordt in de RSZ-kwartaalaangifte voor uitzendkrachten ook de gebruikende onderneming vermeld. Dit laat toe om deze tewerkstelling verder te analyseren volgens de activiteit van de gebruiker. Daarbij delen we de uitzendarbeid op in twee categorieën, de klassieke uitzendarbeid enerzijds en de bijzondere tewerkstellingsvormen via uitzendkantoren anderzijds. Bij die laatste categorie denken we dan vooral - maar niet uitsluitend – aan de flexijobs. De vraag naar (klassieke) uitzendkrachten is sterk conjunctuurgevoelig en de sectorale evolutie van deze tewerkstelling kan dus indicatief zijn voor de trends die zich binnen de sectoren voordoen.

In vergelijking met dezelfde periode vorig jaar, kende de vraag naar arbeidskrachten via uitzendarbeid in het tweede kwartaal van 2026 een stijging van 0,6% voor wat betreft het aantal arbeidsplaatsen op het einde van het kwartaal. Voor de belangrijkste indicator, het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten, was er een sterke daling, van 3,3% in vergelijking met vorig jaar. Maar de evolutie is zeer verschillend per type van uitzendarbeid. De klassieke uitzendarbeid blijft afnemen, terwijl er bij de bijzondere tewerkstellingsvormen via uitzendondernemingen een stevige toename is (vooral flexijobs).

Klassieke uitzendarbeid

Globaal gezien wordt de klassieke uitzendarbeid in het tweede kwartaal van 2026 gekenmerkt door een redelijk sterke daling in de tewerkstelling ten opzichte van de voorgaande kwartalen, zowel voor wat betreft het aantal arbeidsplaatsen als het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten. Ten opzichte van het tweede kwartaal 2025 nam het aantal arbeidsplaatsen af met 3,9% en het totaal geleverde arbeidsvolume met 5,6%.

In de sector Industrie, Energie en Bouw is er sprake van een daling in het aantal arbeidsplaatsen van 3,2%, en eveneens een daling in het arbeidsvolume, van 3,5% in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. De Commerciële dienstverlening kent een daling van 3,9% in het aantal arbeidsplaatsen en het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten daalt met 7,1%. De sector van de Niet-Commerciële dienstverlening, waar veel minder gebruik gemaakt wordt van uitzendwerk, kende een daling van het aantal arbeidsplaatsen van 8,2%. Het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten daalde ook, hier met 9,2%.

Bijzondere tewerkstellingsvormen

Het segment van uitzendarbeid dat valt onder de bijzondere tewerkstellingsvormen is een stuk kleiner dan de klassieke uitzendarbeid, maar groeit snel. Globaal gezien stellen we in 2026/2 een stevige stijging vast van zowel het aantal arbeidsplaatsen (+17,1%) als het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten (+16,5%) ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar.

De bijzondere uitzendarbeid in de Landbouw, bosbouw en visserij is beperkt en heeft vooral betrekking op gelegenheidswerk. In het tweede kwartaal van 2026 steeg het aantal arbeidsplaatsen voor bijzondere uitzendarbeid met 31% ten opzichte van een jaar eerder, en het arbeidsvolume met 11%.

Voor de algemene toename van de bijzondere uitzendarbeid is vooral de stijging van de flexi-jobs verantwoordelijk. Zo steeg het aantal arbeidsplaatsen in de Industrie met 23% en het arbeidsvolume met 27%. In de Detailhandel ging het om een stijging van 17% in het aantal arbeidsplaatsen, en steeg het arbeidsvolume met 19%. Ook de Horeca kende opnieuw een groei van het aantal arbeidsplaatsen via interim (+16%) en een iets minder sterke groei van het arbeidsvolume (+12%) in vergelijking met het tweede kwartaal van 2025.

Privé versus overheid

In het eerste kwartaal van 2025 vonden enkele belangrijke fusies en overnames plaats in de zorgsector, waardoor bijna 4.000 arbeidsplaatsen van de publieke sector (plaatselijke en provinciale besturen) naar de privésector schuiven.

 

In de privésector daalt het aantal arbeidsplaatsen voor arbeiders in 2026/2 met 0,4%, maar stijgt het voor bedienden licht, met 0,3%. Deze tegengestelde bewegingen maken dat voor de privésector in zijn geheel, het aantal arbeidsplaatsen gelijk blijft. In het arbeidsvolume zien we eenzelfde trend: een daling voor arbeiders (-0,6%) en een lichte stijging voor bedienden (+0,1%) zorgen globaal voor een lichte daling (-0,2%) ten opzichte van het tweede kwartaal 2025.

In de overheidssector is er in het tweede kwartaal globaal praktisch sprake van een stilstand in de evolutie van de tewerkstelling. We stellen een lichte afname vast in het aantal jobs (-0,1%) en een status quo in het arbeidsvolume. Onderliggend daalt het aantal arbeidsplaatsen en het arbeidsvolume voor arbeiders (-1,6% en -0,6%), terwijl deze voor bedienden licht stijgen (+0,1% in arbeidsplaatsen en +0,1% in arbeidsvolume). Voor ambtenaren blijft het aantal arbeidsplaatsen gelijk en daalt het arbeidsvolume (-0,4%) ten opzichte van 2025/2.

Werknemersprofiel

Werknemers naar geslacht


Bij mannen is de evolutie in de tewerkstelling in het tweede kwartaal 2026 licht negatief ten opzichte van een jaar eerder. Het aantal arbeidsplaatsen blijft gelijk, het arbeidsvolume daalt licht, met 0,2%. Vrouwen zijn gemiddeld iets meer gaan werken: het aantal arbeidsplaatsen daalt zeer licht (-0,1%), terwijl het hetzelfde arbeidsvolume gepresteerd wordt als in 2025/2.

Werknemers naar leeftijdsklasse


Wanneer we kijken naar de tewerkstelling verdeeld in leeftijdsklassen, zien we een opmerkelijk fenomeen. Voor vrijwel alle leeftijdsgroepen neemt de tewerkstelling af. Enkel bij werknemers van 65 jaar en ouder wordt een forse stijging waargenomen.

Voor jongeren tot 25 jaar wordt er een daling vastgesteld van -3% in het aantal arbeidsplaatsen en -3,7% in het arbeidsvolume ten opzichte van het tweede kwartaal van 2025. Ook in de leeftijdsgroep 25 tot 39 jaar dalen zowel het aantal arbeidsplaatsen als het arbeidsvolume, maar lichter (-0,7% en -1,1%). In de groep 40 tot 49 jaar kwamen er arbeidsplaatsen bij (+0,5%), en steeg ook het arbeidsvolume (+0,5%). Voor de 50 tot 64-jarigen daalde het aantal arbeidsplaatsen licht (-0,2%), maar steeg het arbeidsvolume (+0,5%).

In de oudste groep werknemers, die van 65 jaar en ouder, stegen zowel het aantal arbeidsplaatsen (+21,7%) als het arbeidsvolume (+28,8%) spectaculair. Dit is een gevolg van de populariteit van flexi-jobs onder gepensioneerden, maar nog meer is dit het gevolg van de verhoging van de pensioenleeftijd tot 66 jaar, die op 1 januari 2025 ingegaan is. Dit blijkt uit het feit dat het aantal reguliere arbeidsplaatsen met 25,6% stijgt, terwijl de toename van het aantal flexi-jobs 15% bedraagt. In termen van arbeidsvolume is het verschil nog duidelijker: 33,8% toename bij reguliere tewerkstelling en 15,4% bij flexi-jobs. Vergeleken met 2024/2, vóór de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd, wordt de trend nog duidelijker: het aantal arbeidsplaatsen voor 65-plussers stijgt dan met 51% en het arbeidsvolume met 58%. Ook hier is de toename bij reguliere tewerkstelling groter dan bij flexi-arbeid. Door de toename van de tewerkstelling in de oudste leeftijdsklasse wordt het grootste deel van de negatieve trend in de jongere leeftijdsklassen opgeheven.

Werknemers naar woonplaats

Door gemeentefusies is de samenstelling van gemeenten, arrondissementen en één Vlaamse provincie gewijzigd. Zij hebben echter geen effect op de verdeling naar Gewest. Tevens moest er een correctie doorgevoerd worden op de woonplaatsgegevens van 2025. Meer informatie over wijzigingen in de NIS-codering en correctie van woonplaatsgegevens vindt u hier.

 


Onder inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vond in het tweede kwartaal 2026 een afname van de tewerkstelling plaats ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. We stellen een daling vast van 0,3% in het aantal arbeidsplaatsen, en eveneens een daling (-0,7%) in het arbeidsvolume.

In het Vlaams Gewest en in het Waals Gewest zien we kleine veranderingen in het aantal arbeidsplaatsen (respectievelijk +0,1% en -0,1%). In termen van arbeidsvolume is zien we in Vlaanderen geen beweging in vergelijking met vorig jaar en een lichte daling in Wallonië (-0,2%).

De informatie heeft betrekking op alle werkgevers en werknemers die onder de Belgische sociale zekerheid vallen. Behoudens een aantal uitzonderingen (internationale akkoorden, bilaterale conventies) is het Belgische socialezekerheidsstelsel van toepassing op iedere werknemer die prestaties verricht op het Belgische grondgebied voor een werkgever die in België is gevestigd, maar ook voor werkgevers in het buitenland die een exploitatiezetel in België hebben waar de werknemer afhankelijk van is.

Als basis voor de tijdsreeks worden de gegevens van de administratieve databank gebruikt zoals die ongeveer 20 weken na het verstrijken van het kwartaal opgeslagen zijn. Voor de schatting van de meest recente gegevens wordt gebruik gemaakt van minder volledige gegevens, ongeveer 10 weken na het verstrijken van het kwartaal opgeslagen zijn. Van de mogelijk nog ontbrekende aangiften wordt een inschatting gemaakt op basis van de werknemersstromen. Voor ontbrekende aangiften wordt een raming gemaakt op basis van de aangiftes van voorgaande kwartalen.

Van zodra voor het meest recente kwartaal 20 weken verstreken zijn, worden de volledigere gegevens verwerkt en worden deze in de tijdsreeks opgenomen.

De variabelen zijn:

  • aantal arbeidsplaatsen,
  • aantal tewerkgestelde werknemers,
  • het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten.

De classificatiecriteria zijn:

  • hoedanigheid (arbeider, bediende, ambtenaar),
  • type arbeidsprestatie (voltijds, deeltijds,..),
  • sectorgroep op basis van het paritair comité,
  • leeftijd,
  • geslacht,
  • woonplaats,
  • economische activiteit,
  • sector (privé/overheid),
  • dimensie van de werkgever.

Raadpleeg meer gedetailleerde omschrijvingenvan deze variabelen en criteria op de pagina Globale methodologie van de RSZ-statistieken.

In alle tabellen zijn gegevens van voorgaande kwartalen opgenomen. De vergelijking van de gegevens op jaarbasis biedt een beeld van de trend, terwijl de vergelijking met de voorgaande kwartalen ook beïnvloed wordt door seizoenschommelingen. Bij de vergelijking met vroegere kwartalen moet verder ook rekening gehouden worden met wijzigingen in de administratieve procedures en verschuivingen tussen privé- en overheidssector en tussen activiteitssectoren als gevolg van activiteitswijziging, transferten, splitsingen of fusies van ondernemingen.

 

 


Kies een formaat